ik (het ~, ikken)
1 de zelfstandige persoonlijkheid => ego
2 1e pers. enk. => ikke
wil (de ~ (m.))
1 het menselijk vermogen bewust te streven naar iets, iets te wensen, begeren
2 stootkussen op een schip dat buitenboord wordt gehangen bij het afmeren => fender, stootwil, stootzak
Mooi’e (bn.)
1 aangenaam om naar te kijken of te luisteren => fraai, het oog wil ook wat, schoon; <=> lelijk
2 uitstekend
3 grappig
4 gunstig
5 flink, behoorlijk
Ding’en (het ~)
1 (~en) wat buiten de mens een zelfstandig bestaan heeft => voorwerp
2 (~en) feit, omstandigheid
3 (~en) [inf.] aanduiding voor een jong persoon
4 volksvergadering bij de oude Germanen
ma•ken (ov.ww.)
1 (wat kapot is) herstellen
2 tot stand brengen => vervaardigen
3 in de genoemde toestand of positie brengen
4 (van hoeveelheden) zoveel bedragen als genoemd wordt